Aan de Griekse kust, niet ver van Athene, schommelen verwaarloosde schippersbootjes heen en weer op het tij. De zee de rug toegekeerd kijkt men uit op glooiend gebergte. Jonge kinderen rennen en steppen over het terrein, sommigen een versleten knuffel achter zich aanslepend. Groepjes mannen klonteren samen om te praten en te paffen. Vrouwen hangen de was uit of zitten in kringen bij elkaar om de dagelijkse beslommeringen te bespreken. Wie het betonnen oppervlak, de containers die als woningen dienst doen en de hagen van prikkeldraad over het hoofd ziet, zou bijna het woord ‘pittoresk’ in de mond nemen. De sfeer die er hangt is ook wat unheimisch en doet me denken aan het gevoel dat ik kreeg als mijn moeder me als klein mormeltje, bij gebrek aan oppas, meenam naar een verjaardag met allemaal van die enge volwassenen en nul leeftijdsgenoten. Loom van verveling kon ik destijds maar aan een ding denken: ik wil naar huis. We bevinden ons in vluchtelingenkamp Skaramagas. Hier wachten drieduizend vluchtelingen tot ze een EU-land binnen mogen óf weer veilig naar huis kunnen. Op beide opties lijken ze weinig zicht te hebben.

Door Elvi Kleyn

Roeien met de riemen die je hebt
Deyaa Orfali, een 28-jarige technisch ingenieur uit Syrië en inwoner van het kamp, geeft ons een rondleiding waarbij hij vertelt over het leven hier en over de Hope School. Deyaa ontvluchtte anderhalf jaar geleden zijn thuisland om aan de militaire plicht te ontkomen. In eerste instantie bracht hij vier maanden door in Turkije. De omstandigheden waren daar echter zo erbarmelijk dat hij besloot naar Griekenland te komen, “by boat like everybody”.

De aanblik van de grote groep kinderen in het kamp, ongeveer zevenhonderd in de leeftijd van 7 tot 15, die dag in dag uit niks te doen hadden, spoorde Deyaa en enkele anderen aan tot het opzetten van de Hope School. Ze begonnen met vier leraren, vijftig kinderen, een tent als klaslokaal en louter Engelse les.

Samen lijden schept saamhorigheid

Maar de animo groeide rap, dus al gauw vond er een uitbreiding plaats naar een container met twee klaslokaaltjes, een redelijk nauwgezet lesrooster, een breder lesaanbod en twintig leraren. Naast Engels bieden ze nu ook lessen aan in wiskunde, kunst en de verschillende moedertalen die hier gesproken worden: Arabisch, Koerdisch en Farsi. Sinds kort bevat het lespakket ook Grieks, maar dat loopt nog niet zoals ze zouden willen. Men wil Engels of Duits leren, geen Grieks, ben je mal. Niemand wil hier immers blijven.

Het voelt wat ongepast om metaforisch taalgebruik over roeispanen te gebruiken in deze context maar het moet gezegd worden dat de vrijwilligers van de Hope School weten hoe ze moeten roeien met de riemen die ze hebben. Bij het opzetten van de school moesten er flinke obstakels getrotseerd worden: geldgebrek, gebrekkig materiaal, slechts enkele leraren met een educatieve achtergrond en de enorme diversiteit in het educatieniveau onder de leerlingen. Sommigen kinderen hebben in het thuisland al een paar jaar fatsoenlijke educatie genoten, terwijl andere kinderen in de leeftijd van 11 of 12 nog geen woord kunnen lezen of schrijven in hun moedertaal omdat de oorlog hen verhinderde om naar school te gaan.

Hebban olla vogala nestas hagunnan
Makkelijk was het dus niet, lonend wel. De kinderen gaan ontzettend graag naar de Hope School. Ze hebben verder immers weinig te doen en bovendien zien ze het als een kans om te leren hoe ze kunnen communiceren met vriendjes in het kamp die een andere moedertaal spreken. Niet alleen aan de kinderen, maar ook aan zichzelf bewijzen de leraren een grote dienst. De dagen in Skaramagas zijn lang, uitgestrekt in uitzichtloze verveling, slechts onderbroken door de momenten dat er een maaltijd uitgedeeld wordt. Door les te geven hebben de leraren (die allen universitair geschoold zijn) een dagbesteding gevonden die hen een gevoel van zingeving teruggaf en hen tegelijkertijd de mogelijkheid bood om iets terug te doen voor de gemeenschap. De gemeenschap is van groot belang in het kamp. Aanvankelijk was er echter niet echt sprake van één gemeenschap, maar van verschillende, door afkomst opgedeelde, groeperingen. De sfeer tussen deze verschillende gemeenschappen was zelfs zeer gespannen. Op een zeker moment besloten de kopstukken van de verschillende etnische groeperingen de hoofden bij elkaar te steken om nader tot elkaar te komen. Waar soortgelijke bijeenkomsten op internationaal politiek vlak zelden iets opleveren, bracht de bijeenkomst hier in kamp Skaramagas daadwerkelijk cohesie en rust. Misschien hebben ze bij de ontgroeningscommissies dan toch gelijk: samen lijden schept saamhorigheid.

Een warm gezellig eigen nest, dat is het hier niet

Wachtend op de bus terug naar Athene, bij de bushalte van het kamp alias berm van de snelweg, schiet me te binnen wat op de muur van het klaslokaal Nederlands van mijn middelbare school geschreven stond. Het is het oudste bekende zinnetje in de Nederlandse taal: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat ubidan we nu?’ (‘Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten we nu?’). Omstreeks het jaar 1100 drukte een Vlaamse monnik met een ganzenveer al uit waar ik nu aan moet denken: het inherent menselijke verlangen naar (het stichten van) een eigen nestje. Toegegeven, de omstandigheden hier in kamp Skaramagas zijn leefbaar: men heeft een dak boven het hoofd, voldoende voer en men probeert er met elkaar het beste van te maken op deze betonnen vlakte. Maar een warm, gezellig eigen nest, dat is het hier niet.