Het was ook een beetje de dag die je wist dat zou komen. Deze afspraak stond al vier jaar, en u weet: ik kom altijd mijn beloftes na.” Zo begon Mark Rutte de allereerste Nederlandse versie van het Correspondent’s Dinner. In Amerika standaard een succes, met in datzelfde jaar Barack drop the mic Obama als stralende middelpunt. De premier verliep het wat minder soepel. Onwennig zag de kijker het on-Nederlandse schouwspel aan, waar zelfs Ruttes little tower niet onbesproken bleef. Waarom waarderen we humor en overdaad in een Amerikaanse toespraak wel, maar kan de Nederlandse politicus maar beter ‘normaal doen’? Wat typeert de Nederlandse politieke retoriek? Geestdrift ging op onderzoek uit en sprak met hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media Jaap de Jong.  

Door: Lauren Antonides

Rustig, redelijk, bedaard. Dat vat de politieke retoriek in Nederland vanaf de negentiende eeuw grofweg samen. Het startschot hiervoor werd gegeven door de generatie Thorbecke. De toon van de liberale ‘beschaafde heeren’ was kundig, maar niet spannend. De Jong: “Debatten waren meer gedachtenuitwisselingen tussen juridisch ingestelde bestuurders. Zij maakten hele knappe volzinnen, maar met heel weinig retorisch vuurwerk.  Het was gericht op rustige overreding en argumentatie, de logos, en weinig op pathos, emotie.” Thorbeckes idee over de politieke discussie is tekenend: “Ik stel gaarne reden tegenover reden; waarin, dunkt mij, discuteren bestaat.”

Een vreemde eend in de bijt in dit politieke landschap was politicus Abraham Kuyper. “Hij had een hele andere toon,” zegt De Jong. “Hij kon behoorlijk van leer trekken met allerlei oorlogsmetaforen, aan de bijbel ontleende herhalingsfiguren: het was voor hem een strijd.  De ferme toon die hij gewend was op partijbijeenkomsten te gebruiken, zette hij ook voort in de Tweede Kamer. Daar waren zijn collega’s totaal niet van gediend, ze vonden hem echt een volkstribuun, een populist.” Deze weerzin was overigens volledig wederzijds: Thorbecke sprak volgens Kuyper “gelijk men gewoon is in het boudoir van een zwakke kraamvrouw te doen.”

“In Nederland moet je met de verliezer vaak toch nog in zee. Dat wordt moeilijk als je elkaar dan te veel tot op het bot beledigd hebt.”

Hoewel buiten de muren van het parlement dus een heftigere toon aangeslagen werd, is de mainstream welsprekendheid in de Nederlandse Tweede Kamer altijd rustig en beschaafd geweest. “Dat is heel lang doorgegaan, tot Lubbers en Van Agt.  Dat waren sprekers die uren konden praten, met heel veel jargon, maar echt bevlogen was het niet. Er was een bepaalde meeslependheid, maar geen retorische pracht.” De oorzaak hiervan ligt volgens De Jong bij het politieke coalitiesysteem. “In Nederland moet je met de verliezer vaak toch nog in zee. Dat wordt moeilijk als je elkaar dan te veel tot op het bot beledigd hebt.”

Dit is precies de reden dat de Nederlandse debatcultuur als dag en nacht verschilt van de Angelsaksische traditie. In een tweepartijenstelsel kan je namelijk wél zwaar retorisch aangezet debat voeren: het is immers alles of niks. Persoonlijke aanvallen zijn in Amerikaanse debatten dan ook eerder regel dan uitzondering. “I don’t look at my pension, it’s not as big as yours, so it doesn’t take that long,”  zei Obama tegen Mitt Romney toen die hem aansprak op zijn sketchy investeringen.  ‘Obama spanked Romney like the bad little boarding school preppy he is,’ schreef CNN.

Een flinke dosis sensatie is ook Britse politieke debatten niet vreemd. In Engeland is een bezoek aan het parlement zelfs een volwaardig dagje uit. Het House kent wat betreft spreekstijl do’s en don’ts, die voor nieuwelingen (New Boys) niet altijd meteen duidelijk zijn.  Retorische misstappen worden door de gevestigde garde (Old Boys) ongenadig afgestraft. Zo was er ooit een ongemakkelijke nieuwkomer die zijn maidenspeech overdreven sentimenteel begon met: “I had a sister. Her name was Sophia.” Het hele parlement kwam niet meer bij van het lachen. “Order, order!”

De “humor en venijn” die de Angelsaksische retoriek typeert staat haaks op de Nederlandse behoudendheid. Iemand die reuring bracht op het politieke toneel was Pim Fortuyn. “Hij had een stevigere vorm van debatteren. Hij wilde door zijn toespraken beleid maken, management by speech, en dat is waarom hij zoveel aantrekkingskracht had.” Toespraken van de extravagante politicus waren razend populair en uitspraken als “Ik heb er zin an” en “at your service”staan nog steeds in het collectieve geheugen gegrift. Ook het persoonlijke element kwam door Fortuyn meer op de voorgrond. De Jong: “In interviews vertelde hij over zijn amoureuze geschiedenis, ongelukken, dark rooms en Marokkaanse jongens. Daar draaide hij gewoon niet omheen.”

“In interviews vertelde Fortuyn over zijn amoureuze geschiedenis, ongelukken, dark rooms en Marokkaanse jongens. Daar draaide hij gewoon niet omheen.”

“Dat persoonlijke is sinds Fortuyn wel normaler geworden. Als je kijkt naar het emotionele gehalte van een toespraak, dan zie je dat er systematische verschillen zijn met honderd jaar geleden.” Laten zien dat je een mens van vlees en bloed bent: dat werkt voor een publiek figuur goed.  “Kijk naar Beatrix: mensen sloten haar meer in het hart toen ze bij een overstroming ineens met verwaaide haren haar medeleven kwam betuigen. Dat zijn momenten waarop mensen denken: goh, wat een goed mens is het toch eigenlijk.”

De belangrijkste opvolger van Fortuyn in de Kamer is Geert Wilders. “Maar wat hij nog meer doet is negatieve bejegening, dus zich in negatieve bewoordingen uitlaten over collega’s en groepen mensen in de samenleving. waar ‘ie heel veel aandacht mee krijgt, omdat de gemiddelde toon zoveel rustiger is.” Voorbeelden van deze tactiek zijn er legio. Cohen is de ‘bedrijfspoedel van Rutte I’, het kabinet ‘FC Knudde’ en de interrupties van Pechtold zijn diarree. “Hij zoekt de pijn op en zet het zo hard mogelijk neer. Daarmee wordt het een conversation piece: retorisch gezien weet hij daarmee de aandacht te trekken.”

Dat Wilders’ woordenspel vaardig en vernieuwend is staat buiten kijf, maar zijn toespraken bestaan zeker niet louter uit retorische hoogstandjes, vindt De Jong. De mooiste Nederlandse speech komt wat hem betreft dan ook uit een heel ander tijdperk. Het is de toespraak aan de hoofden van Lebak in de roman Max Havelaar van Multatuli. “Dat is een ongelofelijk mooie toespraak, waarin de spreker zichzelf nederig opstelt, maar gedurende de toespraak langzaam maar zeker ook laat zien dat hij heel veel weet over de misstappen van de hoofden van Lebak, die hij beschrijft in even pijnlijke als beeldende details. Zowel de inhoud, de retorische strategieën als de poëtische taal maken – ook nu nog – grote indruk.”

Opvallend genoeg zijn het precies de typisch Nederlandse kenmerken die De Jong zo aanspreken: inhoud en terughoudendheid. “Hij maakt een probleemanalyse waar iedereen benauwd van wordt, maar hij blijft heel vriendelijk en zich nederig opstellen.” Enthousiast leest hij een paar passages voor: “Ik wenste gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u mij te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben, kan op een zacht oordeel van mijn kant staat maken, want daar ik zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zijn.” Enigszins verontschuldigend bekent De Jong dat hij een literaire toespraak heeft uitgekozen, die misschien wel nooit gehouden is. Met een ondeugende lach: “Dus misschien zou die niet mee mogen tellen, maar ik vind van wel.”


Jaap de Jong (Den Haag, 1961) is hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media. Zijn onderzoek richt zich op retorica in journalistiek en politiek, variërend van het vertrouwen in de media tot aan politieke speeches. In 2015 verscheen Beïnvloeden met emoties: Pathos en retorica, waarin hij samen met Adriaan Rademaker en Christoph Pieper de rol van gevoel als overtuigingsmiddel beschreef. Vorig jaar was hij te zien in de tv-reeks Universiteit van Nederland, waarvoor hij een aflevering over politieke geloofwaardigheid verzorgde. De Jong is onder andere betrokken bij de (onlangs geïntroduceerde) minor Retorica aan de Universiteit Leiden.