Wat nou als je niet trots bent op wie je bent? Wat als je alleen maar iemand anders zou willen zijn, of helemaal niemand zou willen zijn? Wat nou als je zwemt maar niet vooruitkomt? Dit is het derde deel van een reeks waarin webredacteur Matthias Rekers op zoek gaat naar de keerzijde van de medaille.

Het was een paar minuten over negen, ik fietste over Drift richting de fietsenkelder; ik was wat te laat. Ik zag een collegegenoot, voor me fietsen. Hij probeerde de bocht tussen de Wittevrouwenstraat en het binnenplein van de UB op volle snelheid te maken, nog voor een langzaam lopend toeristenechtpaar de weg tussen hem en het hek kon versperren. Het was begin maart, het was nattig; hij gleed onderuit.

Ik stapte af en vroeg of het ging, of hij pijn had et cetera. Hij zei vn niet. Ja, ’t valt mee, zei hij, ik gleed meer dan dat ik viel. Dat nam ik graag voor waar aan: twintig minuten of wat eerder was ik wakker geschrokken met een kater, ik had niet ontbeten, fanatiek mijn oksels bespoten met deodorant om de bier- en zweet-, kortom de katerlucht te verdoezelen. Ik had me in dezelfde kleding als de vorige avond geschoten, maar meteen had ik die kleren weer uitgetrokken; ze roken naar natgeregende asbakken en azijn. Mijn enkel bleef in de nog vochtige rechterbroekspijp hangen, ik gaf mijn broek een ruk en ik verloor mijn evenwicht. Ik viel zo langzaam dat ik voor ik met mijn heup tegen mijn bureau aan was gekomen nog de tijd had  om te vloeken.

Dat kleine voorval had me niet alleen chagrijnig maar ook bewust van mijn moeheid gemaakt. Althans, dat probeerde ik mezelf te laten geloven toen ik, eenmaal in de fietsenkelder, ook nog mijn sleutelbos tussen de rekken liet vallen. Ik voelde me razend en vloekte in hoog tempo door. Het begon me te duizelen tussen de twee glazen schuifdeuren tussen de fietskelder en de trap die de UB inleidt. Ik wachtte en tikte zo hard als ik durfde met mijn voet tegen de altijd te langzaam openende tweede schuifdeur. Het werkte niet; ik wond mezelf op, maar eigenlijk wilde ik dat het niet werkte. Het ging niet om de deuren, het ging om mij.

Ik moest in Drift 21, 0.03 zijn. Ik klopte aan, hoorde niets en deed de deur open. Een rij gezichten die mijn kant op keek; de docente trok haar wenkbrauwen op (kom vooral binnen) en ik ging zitten. Degene die naast me zat was degene met wie ik het eindessay zou schrijven. Hij wees iets aan op zijn laptop met een vragende blik. Ik zag niet wat hij aanwees maar ik knikte. Tegenover ons zat iemand met grote happen iets naar binnen te werken. Ik legde op tafel wat ik in mijn rugtas had zitten – een pen, een notitieblokje en een reader van een ander vak – en besloot maar naar de PowerPoint te kijken. Degene naast me stootte me een ruime minuut later nogmaals aan: nog uit geweest? Hm, ja.Spijt? Altijd. Hij lachte: Maar je bent er. Heb je ook de presentatie gemaakt? Dat ook nog. Lekker pik! Je hebt zelf een lekkere pik.

Hij lachte weer; grapjes zijn makkelijk.

De docente wees ons aan. Wij mochten gaan presenteren; alles was onder controle; mijn misselijkheid hield mijn honger in bedwang en vice versa. Ik stonk alleen.

Toen wij op het punt stonden om te beginnen werd er nogmaals aangeklopt. De gevallene kwam binnen. Zijn haar hing verwilderd voor zijn gezicht. Zijn jas hing open en zijn broek was nat en opengescheurd. Hij verzekerde de docente dat hij helemaal gezond was, dat het maar een schrammetje was, dat dat schrammetje zo weg zou zijn. Alleen zijn fiets was wat gehavend, maar daar kon nu toch niets aan gedaan worden. Ik keek voor me uit, mijn presentatiegenoot luisterde aandachtig naar de gevallene. De docente luisterde ook, knikte wat en stootte per ongeluk een kabel uit zijn bestemde ingang. De PowerPoint verdween en een rumoerig moment ontstond.

Ik keek om me heen (waarvoor? voor aandacht, voor steun?) maar sloeg al snel mijn ogen weer neer. Geen enkele blik was op mij gericht, iedereen had zijn aandacht bij de losse kabel. Straks zou ik de aandacht op me moeten vestigen. Ik zou mijn stem moeten verheffen en datgene moeten zeggen wat ik voorbereid had, maar als ik iets niet zou willen, was dat het. Ik wilde alleen nog maar weg, alleen nog maar niets. Maar, waar ik me in het café kon vermengen met het behang, moest ik me hier losmaken, zichtbaar maken. Het duurde een moment; ik keek naar mijn rode vingers; ik knipperde. Daar was niets, geen hulp: wat zou er ook moeten zijn?

De kabel was weer waar die moest zijn. De docente maande de werkgroep tot stilte. Ik overwoog of ik ziekte voor kon wenden en weg kon gaan – maar geen moment serieus. We konden beginnen.

Iedereen zweeg, ik inhaleerde, dacht aan mezelf, en begon.