Volwassen worden zou anno 2017 een feestje moeten zijn. Er is relatief veel welvaart en de daaruit voortvloeiende technologische vooruitgang zorgt ervoor dat bijna alle benodigdheden tegenwoordig in je broekzak passen. Toch hebben steeds meer studenten te maken met stress, eenzaamheid en angst. Het leven kan inderdaad een feestje zijn, blijkt uit de vakantiefoto’s van vrienden op social media, maar je moet de slingers zelf ophangen. De prestatiedruk die bij dat maakbaarheidsideaal komt kijken duwt twintigers in tijden van economische onzekerheid steeds dieper in een grijs gebied tussen dipje en depressie.

Door: Dirk Baart. Illustratie door: RSD – Roeland Schmohl Design.

Een geruststelling is het misschien niet, maar het verschijnsel is niet iets wat we ons met z’n allen inbeelden. “Het is absoluut waar dat bij alle studentenpsychologen de afgelopen jaren een toename in het aantal studenten dat hen raadpleegt te zien is”, vertelt Jeanette van Rees, studentenpsycholoog aan de Universiteit Utrecht en voorzitter van de sectie studentenpsychologen van het Nederlandse Instituut voor Psychologen. De midlife crisis waarbij veertigers en vijftigers te maken kregen met burn-outs lijkt plaats gemaakt te hebben voor de ‘populariteit’ van de quarter life crisis. Cijfers van het CBS tonen aan dat de meeste aan burn-outs gerelateerde klachten inmiddels voorkomen bij mensen van 25 tot 35. Toch vertekenen die cijfers de kwestie volgens Van Rees, die een veelheid aan oorzaken onderscheidt. Onderzoeken worden slecht uitgevoerd of slecht gelezen. “De Landelijke Studentenvakbond gooide in 2013 bijvoorbeeld alles op één hoop: van een klinische depressie tot een dipje. Als je aan mensen vraagt of ze weleens somber zijn, zal iedereen daar ja op  zeggen. Maar dat betekent nog niet dat ze een psychische klacht hebben.”

Wat ook vaak vergeten lijkt te worden, is dat het verschijnsel niet geheel nieuw is. “De levensfase van jongvolwassenen is sowieso turbulent”, legt de psycholoog uit. “Mensen tussen de 18 en 25 moeten allerlei ontwikkelingstaken uitvoeren. Ze denken na over wie ze zijn, wat ze willen en wat ze doen. Dat alles moeten ze steeds vaker buiten de context van hun gezin doen. Daardoor kwam altijd al psychische problematiek naar boven.” De toename van de laatste jaren is volgens Van Rees en haar collega’s te wijten aan de toename van het aantal (internationale) studenten en het steeds sterker wordende advies om bij studieproblemen een universiteitsmedewerker te raadplegen.

Toch lijken allerhande psychische problemen ook een maatschappelijke trend. De onzekerheid waarover Van Rees rept, is een essentieel onderdeel van het leven van veel 25-minners. Ze maken zich massaal zorgen over zo’n beetje ieder onderdeel van hun bestaan: twijfel is een lifestyle geworden. Is deze baan wel bevredigend? Is deze relatie wel gezond? Is dit leven wel écht wat ik wil? Die onzekerheid wordt in veel gevallen veroorzaakt door het feit dat er vandaag de dag zoveel te willen valt. De wereld ligt wagenwijd open, maar de toename aan bomen betekent dat het bos voor velen steeds verder uit zicht verdwijnt.

“Mensen wijten succes aan het individu, dus als jij niet succesvol bent, ligt dat aan jou.”

Veel millennials, want zo noemen we de generatie die tussen 1980 en 2000 geboren is tegenwoordig, vatten dat op als een fout waarvoor ze zelf verantwoordelijk zijn. Ze zijn door hun ouders, vaak van eerdere generaties als X of babyboom, opgevoed met het maakbaarheidsideaal. Daardoor hebben ze te weinig geleerd hoe ze om moeten gaan met tegenslagen. Jeanette van Rees verklaart: “Alle problemen worden door ouders weggenomen. Vanaf het moment dat je op jezelf bent, moet je ineens wel alles zelf doen en blijkt dat je misschien minder vaardigheden hebt geleerd om zo’n probleem aan te kunnen dan voorgaande generaties.” De push die veel jongeren van hun ouders hebben gekregen is bedoeld als duw in de rug, maar heeft ook negatieve gevolgen. Veel studenten hebben te maken met faalangst. Ze hebben het idee dat ze niets goed doen of dat ze alles meteen goed móeten doen, zonder ruimte te bieden aan een leerproces. “Het lijkt wel alsof fouten niet meer gemaakt mogen worden”, signaleert Van Rees. “Mensen wijten succes aan het individu, dus als jij niet succesvol bent, ligt dat aan jou. In de praktijk is niet alles toe te schrijven aan de maakbaarheid. Er kunnen altijd omstandigheden zijn waardoor het iemand tegenzit.”

Het idee van individualiteit kan motiveren, maar werkt minstens zo vaak vervreemdend of verlammend.  Het heeft als gevolg dat jongeren niet alleen zichzelf, maar ook elkaar als maatstaf zien, hetgeen in de hand gewerkt wordt door social media. Op een tijdlijn vol triomfen schets men slechts een mooi beeld van zichzelf, met enkel positieve posts die doen lijken alsof het helemaal zo slecht niet gaat met onze leeftijdscategorie.“Ik denk dat mensen zich er heel bewust van zijn dat ze hun cv veel meer moeten vormgeven dan anderen”, zegt Jeanette van Rees. “Ze gaan bijbaantjes of besturen doen, maar vergelijken zich daarin continu met anderen. Doordat ze alle ballen tegelijkertijd in de lucht moeten houden, ervaren ze nog meer stress.” Het advies van Van Rees is geenszins alle ballen te laten vallen, maar om in te schatten hoeveel je er in de lucht kunt houden en te zoeken naar balans. “Als je een veertigurige studie hebt, kun je daarnaast misschien niet nog twee baantjes en besturen doen. Er zitten nou eenmaal maar 24 uur in een dag.”

“Veel studenten waren stiekem blij met de economische crisis”


De onzekerheid die dat teweeg brengt heeft daarnaast steeds grotere consequenties. Studeren kost centen, geld lenen kost geld, en dat geld ga je nooit meer terugverdienen omdat je geesteswetenschappelijke studie – op zijn zachtst gezegd – geen garantie op een baan biedt. En zelfs als de baankans wel hoog is, levert dat studenten vaak juist meer onrust op. “Veel studenten waren stiekem blij met de economische crisis”, herinnert Van Rees zich. “Ze konden zichzelf toen niet de schuld geven als ze geen baan kregen. Nu vragen studenten van bredere studies zich vaker af waartoe ze nou eigenlijk opgeleid zijn. Met de Career Services probeert de universiteit hen te helpen op de arbeidsmarkt te komen.” Die arbeidsmarkt is sinds de crisis sterk veranderd: Nederland is een van de Europese koplopers als het gaat om flexibele arbeidsrelaties: uit het rapport Voor de zekerheid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid blijkt dat meer dan een kwart van de jongeren zich in zo’n situatie bevindt. Het aantal zzp’ers onder de 25 stijgt ook. Mede daardoor verschuiven de dingen die we associëren met volwassenheid naar achteren. Na de puberteit breekt een onafhankelijke maar minstens zo onzekere periode aan; pas op latere leeftijd is er plaats voor een huis, een huwelijk en kinderen. Geen probleem op zich, ware het niet dat het verwachtingspatroon van veel millennials nog niet op die verandering is aangepast.

Dat levert logischerwijs stress op, die in sommige gevallen benoemd wordt als burn-out. Het is een woord dat volgens Jeanette van Rees misbruikt wordt. “In psychologische zin is dat een eindfase waar zeker een jaar van overspannenheid en een periode van stress aan voorafgaan”, legt ze uit. “Pas als je volledig overspannen raakt – dus als je niet meer kunt werken, niet meer naar sociale bijeenkomsten gaat en alleen nog thuis op de bank zit – spreken we van een burn out. Gelukkig hebben een heleboel studenten dat niet.” Volgens Jeanette van Rees is het belangrijk op die manier te relativeren. “Veel artikelen presenteren niet de juiste informatie. Dat doet heel erg tekort aan mensen die écht iets hebben. Iedereen is weleens een beetje moe, maar niet iedereen heeft een chronisch vermoeidheidssyndroom. Als je een klinische depressie hebt, is er écht iets met je aan de hand. Nu lijkt iedereen wel een dipje te hebben: psychische problemen worden een hype.”