Op de faculteit Geesteswetenschappen werken talloze onderzoekers die zich met interessante onderwerpen bezighouden. Dit maal bevragen we dr. Robert Flierman over zijn onderzoek naar de Saksen en identiteitsvorming.

Tekst door Lauren Antonides.

Identiteitsvorming in de vroege middeleeuwen is een thema waar jij je mee bezighoudt.

RF: “Ja, het onderzoeksproject dat ik net heb afgerond ging over identiteitsvorming tegen de achtergrond van de val van het West-Romeinse rijk. In deze situatie moesten de nieuwe barbaarse elites en de voormalige Romeinse bevolking samen een status quo vinden. De vraag is: hoe? Ik onderzocht de Saksen, een Germaanse stam die zich vestigde in wat nu Duitsland is. Het leuke aan de Saksen, en tegelijkertijd het moeilijke, is dat er al vanaf de tweede eeuw over hen geschreven wordt, maar materiaal van henzelf pas zeven eeuwen later verschijnt.

“Je krijgt niet alleen Romeinse clichés over je heen gestort, maar ook vijandige beeldvorming van de Franken voor je kiezen”

Gedurende deze periode zijn de Saksen dus alleen van buitenaf te bestuderen, en dat levert problemen op. Je krijgt niet alleen Romeinse clichés over je heen gestort, maar ook vijandige beeldvorming van de Franken voor je kiezen. De beschuldiging van ontrouw was bijvoorbeeld een trucje dat extreem vaak werd toegepast op de Saksen. Ze waren een gens perfida, een ontrouw, ongelovig volk waar geen verdrag mee te sluiten viel. Interessant is het hoe Saksische auteurs later op deze beeldvorming reageren. Zo was er een anonieme non die een omgekeerd statement maakte: het getuigt juist van trouw dat de Saksen bleven vasthouden aan hun voorouderlijke tradities toen het christendom aan hen werd opgelegd. Het is heel duidelijk dat deze figuur op de hoogte was van de bestaande beeldvorming, en deze ter discussie stelde.”

Is er in de recentere geschiedenis nog aangehaakt op de Saksische identiteit?

RF: “In nazi-Duitsland is dat zeker gebeurd. Het Saksische verhaal is op twee manieren ingezet: dit hing sterk af van de positie die aan Karel de Grote werd toegedicht. De nazistische ideoloog Alfred Rosenberg portretteerde hem bijvoorbeeld als een Franse, buitenlandse invader die met zijn pauselijke vriendjes het Germaanse volk een mores kwam leren. Hij identificeerde zich dus met zijn Germaanse voorouders: ‘Wij zijn Saksen en die Fransoos heeft ons destijds geweld aangedaan.’ Aan de andere kant werd Karel de Grote ook geprezen als grote imperialist. Uit Hitlers persoonlijke documentatie blijkt dan ook dat hij uiteindelijk voor de kant van de Frankische keizer kiest. De Saksen waren in zijn lezing rebellen die terecht over de kling gejaagd zijn.”

Tekst gaat verder onder afbeelding.

Dr. Robert Flierman
Universitair docent-onderzoeker
Departement Talen, Literatuur en Communicatie. Beeld door Maarten de Leeuw.

 

Met welk onderzoek ben je nu bezig?

RF: “Ik ben op dit moment een onderzoeksaanvraag aan het voorbereiden over vroegmiddeleeuwse brieven. Ze zijn een van de meest gebruikte bronnen in deze periode: duizenden hebben we overgeleverd gekregen. Maar we weten eigenlijk heel weinig over de praktische kant. Wie bezorgden ze en hoe gebeurde dat? Stel dat je een brief hebt waarin staat: gericht aan alle bisschoppen van het Frankische rijk – hoe werkt dat dan? Gelukkig zijn veel brieven overgeleverd als collecties in online databases, zoals de brieven van Bonifatius. Maar heel veel details die je graag zou willen hebben, ondertekeningen, notities en zegels, zitten er niet meer bij. Daarvoor heb je originelen nodig, en die zijn er heel weinig: minder dan honderd. Toch zijn die van vitaal belang, stukjes perkament waaraan je kan zien hoe het gevouwen is zeggen mogelijk iets over de manier waarop ze bezorgd werden.”

Ben je al iets op het spoor?

RF: “De performatieve kant vind ik tot nu toe heel interessant. Neem bijvoorbeeld de brief waarin Bonifatius de koning een veeg uit de pan geeft omdat hij ontucht had gepleegd met nonnen. Die brief stond niet op zichzelf: in de aanloop hiernaartoe stuurde hij ook brieven naar andere bisschoppen met de vraag hem te steunen. Zelfs de bezorgers werden niet aan willekeur overgelaten: dat waren priesters. Aan de koning zelf stuurde hij geschenken – twee valken en een havik – om hem alvast te attenderen op die brief die zou komen. De performance van zo’n brief gebeurde publiekelijk en werd heel zorgvuldig geënsceneerd. Wat ik daarbij eigenlijk zou willen weten, is wat er daarbij uitgesproken is. Een onthutsende conclusie zou zijn dat de overgeleverde tekst slechts een aantekeningetje is geweest en de mondelinge overlevering was waar het echt om draaide. Dan zijn we ons aan het fixeren op de brief, terwijl die niet eens zo belangrijk was. Het zijn vragen waar ik al tien jaar over nadenk en nooit aan toe ben gekomen: nu moet ik het maar eens gaan oplossen.”