Wie het nut van geesteswetenschappen wil verdedigen, heeft er sinds kort een argument bij: alfa’s houden de democratie in stand! Dat beweert Martha Nussbaum althans, in haar boek Niet voor de winst. Geestdrift las het boek en sprak erover met drie hoogleraren.

Door Joost van Zoest

Martha Nussbaum heeft het niet over de kredietcrisis als zij spreekt over een crisis die grotendeels onopgemerkt voortwoekert, ‘net als bij kanker’. Ze bedoelt een wereldwijde crisis in het onderwijs. In haar dit jaar verschenen boek Niet voor de winst. Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft, luidt Nussbaum de noodklok over de trend om onderwijs louter in economische termen te beoordelen. In plaats van studenten kritisch te leren denken en in te wijden in complexe, mondiale vraagstukken, staat alles in het teken van economisch profijt. De geesteswetenschappen, die het imago hebben niets bij te dragen in de internationale concurrentiestrijd, worden daarom gekort of opgedoekt. Volgens Nussbaum is dat een regelrechte ramp, niet alleen voor de docenten en studenten van deze opleidingen, maar voor de samenleving als geheel. Want: “Geesteswetenschappen vormen mensen tot volwaardige, democratische burgers.”
Martha Nussbaum ontwikkelde in de jaren tachtig het Human Development Paradigm, een alternatief voor de dominante opvatting dat de ontwikkeling van landen het best afgemeten kan worden aan het bruto nationaal product (BNP) per hoofd van de bevolking. Op die BNP-schaal scoorde Zuid-Afrika bijvoorbeeld uitstekend, terwijl het land toen nog apartheid kende en het overgrote deel van de bevolking in zeer slechte omstandigheden leefde. Het is dus lang niet altijd verstandig om veel waarde aan economische factoren te hechten, leerde Nussbaum. Daarom stelde zij met het Human Development Paradigm de mogelijkheden van mensen om zich te ontwikkelen centraal.

De inspanningen van Nussbaum dertig jaar geleden ten spijt, vandaag de dag wordt het onderwijs volgens diezelfde economische factoren beoordeeld. In Engeland moeten geesteswetenschappelijke instituten hun bestaan continu rechtvaardigen tegenover de overheid. Degenen die geen bijdrage leveren aan de economie, worden gekort. Veel instellingen voor klassieke talen of filosofie hebben zo hun deuren al moeten sluiten. In de VS moet volgens de onderwijsplannen van Obama hogere prioriteit gegeven worden aan vaardigheden waar het zakenleven baat bij heeft. In Nederland is de situatie niet anders: universiteiten moeten van overheidswege zwaar bezuinigen en dat gebeurt met name op niet-exacte vakken.
Joris van Eijnatten, hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, is het op dit punt met Nussbaum eens. “Je ziet over de hele linie dat er steeds minder geld is voor geesteswetenschappen. Het argument dat ‘wij’ economisch weinig opbrengen, telt steeds zwaarder mee.” Hij constateert dat bètawetenschappen ongeveer drie, en gammawetenschappen twee maal zoveel geld ontvangen als de geesteswetenschappen. Hij stelt ook vast dat de overheid haar onderwijsbeleid bepaalt met de economie in het achterhoofd: “Op de middelbare school wordt bijvoorbeeld vooral geïnvesteerd in wiskunde en Engels, om onze concurrentiepositie te verstevigen.”
Nussbaum is van mening dat geesteswetenschappen geen directe economische waarde hebben, maar is die veronderstelling eigenlijk juist? Rens Bod, hoogleraar Cognitiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, vindt van niet. Zijn onderzoek bouwt voort op inzichten uit de taalkunde en met die kennis programmeerde hij vertaalmachines die concurreren met die van Google. Hoezo geen economische waarde? Van Eijnatten vindt de taalkunde niet representatief voor de geesteswetenschappen als geheel: “Taalwetenschappers schurken tegen de bèta- en gammawetenschappen aan en werken op een heel kwalitatieve manier. Dat onderzoek valt vaak goed te valoriseren.” (Valorisatie is het op een waardevolle manier ontsluiten van wetenschappelijke kennis voor derden, red.) Daarmee is de taalkunde een uitzondering binnen de geesteswetenschappen. “Het probleem is dat veel geesteswetenschappen wel indirect een bijdrage leveren aan de economie, maar dat je dat niet kunt meten.”
Ook Emile Wennekes, hoogleraar Muziekwetenschap na 1800, vindt het leveren van een economische bijdrage niet het sterkste punt van de geesteswetenschappen. De productie van maatschappelijk relevante games, de vertaling van muzikale metra in computermodellen, of het (her)ontdekken van vergeten muziek noemt hij als activiteiten met een zeker economisch belang. Toch concludeert hij dat “de economische relevantie een marginaal aspect is binnen de geesteswetenschappen.”

Volgens Nussbaum zijn politici die denken te kunnen bezuinigen op geesteswetenschappen kortzichtig, en begaan zij een ernstige fout. De geesteswetenschappen brengen hun studenten namelijk vaardigheden bij die van wezenlijk belang zijn voor het goed functioneren van een democratie: in staat zijn om kritisch te denken, om plaatselijke loyaliteiten te overstijgen, om wereldproblemen als wereldburger te benaderen en om ons op fantasievolle wijze in te leven in de omstandigheden van een ander. Dáárin zit de waarde van de Talen, Geschiedenis, Kunstgeschiedenis, Filosofie, Muziek-, Literatuur en Theater, Film en Televisiewetenschap, volgens Nussbaum. Emile Wennekes kan zich vinden in haar pleidooi: “Ik hoop inderdaad dat onze discipline bijdraagt aan de kritische en democratische vorming van toekomstige burgers.”
Heeft Nussbaum het bij het rechte eind met haar verdediging van de geesteswetenschappen als de hoeksteen van de democratie? Van Eijnatten vindt dat de geesteswetenschappen de democratie kunnen ondersteunen, maar dat dat niet per definitie het geval is. “Kijk naar de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog, toen het alfa-onderwijs op hoog niveau stond. Je ziet dat de meest enge nationaal-socialisten uitstekend onderwijs genoten en de klassieken op het gebied van hoge cultuur goed kenden, maar of dat dus automatisch tot democratie leidt, is de vraag.”
Daarbij komt dat door de geesteswetenschappen tot hoeder van de democratie te bombarderen, de suggestie wordt gewekt dat natuur- en gammawetenschappers ongeschikt zijn voor die taak. Hoewel Nussbaum die conclusie probeert te vermijden zegt ze ook dat “technisch geschoolde studenten niet weten hoe ze kritiek moeten leveren op het gezag”. Dat lijkt een brug te ver, want met name de gammawetenschappen kennen met bijvoorbeeld Sociologie en Politicologie maatschappelijk geëngageerde disciplines. En is het terecht om natuurwetenschappers als onbenullig voor te stellen? Robert Dijkgraaf, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), stelde in Vrij Nederland: “Als ik weet hoe groot de kosmos is, zegt dat toch ook iets over mijn vermogen om mijn plaats in deze wereld te kennen?”
Op Nussbaums stelling dat bezuinigingen op de geesteswetenschappen de democratie uithollen, valt dus wat af te dingen. Maar hoe zouden de hoogleraren zelf hun discipline verdedigen? Wennekes: “Wij geven onze studenten capaciteiten om gecompliceerde muziek te structureren in betekenisvolle velden. Daarmee dragen we bij aan verschillende canons, maar tegelijkertijd leggen we de subjectieve en soms politieke strategieën achter die canonvorming bloot.”
Van Eijnatten stelt: “De kernbusiness van geesteswetenschappers is beschaving, een oud woord voor cultuur. Daarbinnen draait het om het identificeren van waarden en het aanbrengen van een hiërarchie, zonder de menselijke subjectiviteit uit het oog te verliezen. Een voorbeeld van zo’n waarde is die van religie. Wat je er verder ook van vindt: het speelt een rol in onze maatschappij. Door zulke waarden te herkennen kun je voorkomen dat mensen vernederd worden, maar tegelijkertijd kun je ook bepalen welke het belangrijkst zijn en welke we via het onderwijs vorm gaan geven.”
Ook Rens Bod vindt Nussbaums defensieve tactiek eveneens verkeerd. Hij is van mening dat geesteswetenschappen zichzelf meer moeten presenteren als een wetenschap die, net als de natuur- en gammawetenschappen, in staat is tot ontdekkingen die onze wereld op zijn kop zetten. “Kijk naar Joseph Scaliger. Deze filoloog ontdekte in Egyptische bronnen dat er farao’s leefde voordat de wereld volgens de Bijbel zou zijn geschapen. Zijn ontdekkingen leidden tot een debat, dat uiteindelijk uitmondde in De Verlichting.”